Er is geen enkel voorkeurstype, maar voor de meeste binnenopstellingen in gebouwen waar mensen komen is een gietharstransformator (droge transformator) de verstandige standaardkeuze: de brandlast is laag en je hebt geen olieopvang nodig. Olietransformatoren worden binnen nog steeds toegepast — in aparte, brandwerende transformatorruimtes — als het vermogen, het rendement of de overbelastbaarheid het extra bouwkundige werk rechtvaardigt.
Waarom giethars binnen domineert
Het doorslaggevende argument is brandgedrag. Een gietharseenheid met klasse F1 volgens IEC 60076-11 is zelfdovend en geeft weinig rook af, en mag dus dicht bij mensen staan: in kantoren, ziekenhuizen, parkeergarages en winkelpanden. Omdat er geen vloeistof in zit, vervallen de opvangbak, het lekpad naar het riool en het programma voor oliebemonstering — de ruimte wordt merkbaar eenvoudiger en goedkoper.
De compacte voetafdruk heeft een tweede effect dat makkelijk over het hoofd wordt gezien. Een droge transformator kun je vaak dichter bij de belasting plaatsen, waardoor de laagspanningskabels korter worden. Bij enkele duizenden ampères is een paar meter bespaard koper een reëel bedrag op het projectbudget, en de bespaarde kabelverliezen lopen door zolang de installatie bestaat.
Wees eerlijk over de nadelen. Giethars is niet onderhoudsvrij, hoe vaak die claim ook wordt herhaald: de wikkelingen vangen stof, stof beperkt de koeling en houdt vocht vast, dus periodiek ontstoffen, visuele inspectie en thermografie horen in het onderhoudsschema. Lucht koelt bovendien slechter dan olie, waardoor een droge transformator in een warme of slecht geventileerde ruimte sneller vermogen inlevert; veel uitvoeringen zijn per kVA ook hoorbaar luider.
Wanneer een olietransformator binnen toch de juiste keuze is
Olie koelt en isoleert beter dan lucht, dus een olietransformator haalt een bepaald vermogen in een kleinere, goedkopere uitvoering en verdraagt kortstondige overbelasting soepeler. Dat voordeel groeit met vermogen en spanning, en daarom kiezen onderstations en zware industrie ook binnen gebouwen boven ongeveer enkele MVA en boven 36 kV nog steeds voor olie.
De voorwaarden zijn streng: een aparte ruimte met een gedefinieerde brandwerendheid, een opvangbak op het volledige olievolume, ventilatie of koeling gedimensioneerd op de verliezen, en toegang voor oliebemonstering. Is brandrisico het enige obstakel, dan is estervloeistof een serieuze tussenweg — biologisch afbreekbaar, met een brandpunt boven 300 °C, en op veel binnenlocaties toegestaan waar minerale olie dat niet is.
Waar de vergelijking echt op neerkomt
Vijf criteria beslissen vrijwel elke binnenkwestie. Loop ze op volgorde af, dan kiest het type zichzelf meestal.
- Brandlast en gebruik — hoe dichter mensen erbij zijn, hoe sterker het pleidooi voor giethars of estervloeistof.
- Ruimtekosten — een brandwerende ruimte met opvangbak kan meer kosten dan het prijsverschil tussen beide transformatoren.
- Vermogen en spanning — boven ongeveer enkele MVA en boven 36 kV wordt de olie-uitvoering duidelijk economischer.
- Omgeving en ventilatie — giethars levert sneller vermogen in bij warme, stoffige of slecht geventileerde ruimtes.
- Overbelasting en bedrijfswijze — olie verdraagt cyclische en kortstondige overbelasting beter; EcoDesign Tier 2 halen beide typen.
Twee claims die je elders leest, verdienen correctie. Giethars is niet per definitie inefficiënt: Tier 2 geldt voor beide technologieën en een goed gespecificeerde droge transformator voldoet eraan. En de levensduur is niet automatisch korter — die is korter als de eenheid warm en stoffig draait, en dat is eerder een probleem van de ruimte dan van de transformator.
De binneneenheid specificeren
Zodra het type vaststaat, leg je transformator en ruimte samen vast. Een fabrieksmatig gemonteerde IP21-behuizing met ventilatielamellen maakt een gietharstransformator aanraakveilig in toegankelijke ruimtes en behoudt tegelijk de natuurlijke luchtkoeling. Dimensioneer de ventilatieopeningen op de werkelijke verliezen, geef de maximale omgevingstemperatuur op die je verwacht in plaats van standaard 40 °C aan te houden, en bevestig de milieu- en klimaatklasse (E2 en C2 voor condensatie en vervuiling) als de ruimte vochtig of vuil is.
Voeg wikkelingtemperatuursensoren toe en, bij een cyclische belasting, een ventilatorstap (AN/AF) die extra vermogen oplevert zonder een grotere transformator. Controleer daarna of de eenheid naar binnen en weer naar buiten kan via de deuren, de lift en de vloerbelasting die je werkelijk hebt.
Vuistregel: delen mensen het gebouw, begin dan met giethars en stap pas over op olie als het vermogen, het rendementsdoel of de overbelastingseis de extra ruimtekosten waard maakt. Vergelijk de twee op geïnstalleerde kosten — transformator plus ruimte plus opvang plus ventilatie — in plaats van op transformatorprijs alleen, dan valt de keuze meestal vanzelf.